Première

Op de avond van de première van ‘Een familiezaak’ heb ik uit eigen werk voorgedragen.
Op verzoek van verschillende mensen plaats ik hier de tekst van mijn voordracht.
Alice Verheij

‘Spui 2007′

‘t was geen warme dag,
regenen deed het ook niet.
Er was ook niets te doen.
Ze liep gewoon op straat,
hij vond haar een vent
en sloeg haar dood.

In de ene krant was er een travestiet vermoord,
in de andere een transseksueel.
En in de krant waar dat niet mag
een anonieme man.

Maar ik weet beter,
‘t was een mens.

April 2007 - © (M)alice
naschrift: De transgender Harry / Henriëtte Wiersinga werd op 28 maart in Den Haag in elkaar geslagen. Drie weken later overleed zij aan haar verwondingen. De moordenaar sloeg naar men aanneemt toe omdat het uiterlijk van Harry / Henriëtte hem niet beviel. De nonchalante en verhullende berichtgeving in sommige kranten maakten van de moord een dubbele moord.

‘Zaterdagochtend’

Het was koffietijd in de nog stille stad en in mij riep iets dat het hoog tijd was om een rustig café te zoeken om maar eens te genieten van een goede warme kop cappuccino. Zou ik er appelgebak bij nemen? Natuurlijk. Het duurde niet lang of ik vond een ongetwijfeld zeer oud etablissement dat me wel beviel. Mooi pand, gezellig interieur, geen truttige kleedjes op tafel maar ook niet te trendy. Aangenaam warm binnen. Langs de muren boekenkasten en allerlei dingen die een prettige huiselijkheid uitstraalden. Ik slenterde langs de lange toog en koos een tafeltje uit waar ik met mijn rug naar de muur kon zitten en de zaak goed kon overzien. Niks fijner dan mensen kijken. Het jonge meisje kwam al snel naar me toe met haar nu nog schone witte lange schort voor.
‘Wat mag het zijn mevrouw?’
‘Cappuccino graag. En een appelpunt.’
‘Komt er aan. Slagroom er op?’
‘Nee hoor.’
Ze trippelde vlot weg en ging aan de slag met het grote glimmende koffieapparaat. Ik bladerde zonder gedachten door de krant die op tafel lag maar legde die ook snel weer weg. Slecht nieuws allemaal en politiek en lange ingewikkelde verhalen. Na een paar minuten kwam het meisje met de koffie en het appelgebak. Lekker warm gemaakt. Ik pakte het boek uit mijn tas dat ik had meegenomen om uit te lezen en raakte al snel geboeid in het verhaal.

Ik weet niet waar het door kwam maar op een onbepaald moment keek ik op en zag een oude man binnenkomen. Hij zei niets, keek even om zich heen, en liep toen traag door. Ik verstarde. Dit kon niet waar zijn, dit soort dingen gebeurt niet echt. Bedriegen mijn ogen me? Maar de man liep gedecideerd door en op twee tafeltjes afstand keek hij me recht in de ogen, weemoedig. Ik kon mijn ogen niet van zijn ogen losmaken en na drie stappen stond hij bij mijn tafeltje. Het zonlicht achter hem benadrukte zijn silhouet. Hij was het, ik herkende hem uit duizenden, uit miljoenen. Zonder aarzeling en zonder te vragen ging hij op de stoel tegen over me zitten. Zijn jas legde hij over de nog vrije stoel op de mijne.
‘Ik mag hier vast wel zitten toch? Mevrouw?’
Ik kon niets zeggen, mijn kaken kwamen niet in beweging, mijn tong bleef op zijn plek.
‘Ken je me dan niet meer?’ vroeg hij.
‘Jawel, maar dit kan toch helemaal niet? Je bent toch al lang overleden?’
‘Dat is zo, maar dat wil niet zeggen dat ik toch graag nog met je wil praten.’
‘Zeg me dat… dat mijn ogen me bedriegen, dat je het niet bent, dat je niet hier bent…’
‘Je ogen zijn prima en ik ben het wel. En ik ben ook hier, nu, met jou aan deze tafel. Om met je te praten want dat wou je toch zo graag?’
Ik voelde tranen in mijn ooghoeken dringen maar kon me inhouden. Ik was duizelig.
‘Neem nou eerst je koffie eens en eet van je gebak. Straks is het koud en anders eet ik het op. Hoewel… er zit geen slagroom op.’
‘Ja pa, als je het maar laat hoor. Laat je wel vaker mensen zo schrikken?’
‘Welnee, dit is speciaal voor jou. Jij wilde dit en ik vindt het hoognodig om je de kans te geven met me te praten over waar we het vroeger om de een of andere reden nooit konden hebben.’
‘Was je dan niet verbaasd me te zien? Hoe herkende je me? De meeste mensen van vroeger herkennen me anders echt niet hoor.’
‘Ik ben je vader, weet je nog? Natuurlijk herken ik je. En ja, ik was wel verbaasd echt een vrouw te zien, hoewel ik natuurlijk van de verandering weet. Het gaat je goed zo te zien want je ogen stralen iets uit wat ik vroeger nooit zag. Of ik moet het gemist hebben.’
‘Je hebt veel gemist denk ik. Dat is geen verwijt hoor, je moest immers voor je gezin zorgen.’
‘Toch had ik er vaker moeten zijn om je te helpen toen het nodig was. Hoewel ik niet geweten zou hebben wat te doen. Een vader wil zijn kinderen gelukkig zien. Het doet pijn achteraf te weten dat je dat nooit helemaal was.’
‘Het was de tijd, pa. Het zou toen toch niet gekund hebben, een zoon die dochter wordt. Hoe had dat dan gemoeten in de buurt en op school, wat had je je collega’s op het werk moeten vertellen? Nee het was te moeilijk.’
‘Toch is het jammer. Zitten de mannen niet achter je aan?’
‘Doe niet zo gek zeg! Ik ben vijfenveertig hoor, de meeste kerels zoeken het jonger. Dat weet je best. Maar ik voel me wel heerlijk natuurlijk.’
‘Heb je er geen spijt dat het zolang heeft moeten duren voordat het kon?’
‘Soms wel.’
‘Niet altijd? Je hebt zoveel gemist, zoveel moeilijkheden gehad.’
‘Nee spijt heb ik zelden. Ik hou niet van omkijken. Nieuwe dingen vindt ik belangrijker. Wat achter me ligt kan ik toch niks meer aan veranderen. Vandaag en morgen, dàt kan ik zelf bepalen.’
‘Ik geloof je niet helemaal, dame.’
‘Nou ja als het vijfentwintig of dertig jaar eerder was gebeurt had ik het wel beter gehad natuurlijk. Het had het gemakkelijker gemaakt. Maar misschien ook niet hoor. Weet jij veel hoe de mensen toen gereageerd zouden hebben? Misschien was ik nog wel veel meer getreiterd.’
‘Ik denk het wel, zeker in die tijd. Trouwens ik denk dat ik niet geweten zou hebben wat ik met de situatie moest aanvangen. Ik was nooit zo goed in die dingen. Je moeder was daar beter in.’
‘Misschien ook wel niet. Het is nu immers ook ontzettend moeilijk voor haar.’
‘Maar hoe is het je nu vergaan in die paar jaar? Is het niet ontzettend moeilijk om dit te doen?’
‘Klinkt gek misschien, maar eigenlijk niet dus. Het is voor mij een vorm van thuiskomen in mijn wezen. Ik had nooit verwacht dat het zo vertrouwd zou voelen. Maar dat kan je jezelf vast niet voorstellen.’
‘Ach weet je, daarboven maakt het niet uit of je man of vrouw bent. Het is er wat raar geregeld maar om de een of andere reden bestaat het onderscheid niet meer.’
‘Hoe is het daar dan? Is het mooi? Ken je iedereen en is alles goed?’
‘Daar mag ik niets over zeggen. Je komt er wel achter als het jouw tijd is.’
‘Als je het maar uit je hoofd laat ooit terug te veranderen, dan komen ze daar boven helemaal in verwarring.’
‘Pa, dat kan niet meer. Al zou ik het willen. Sommige dingen zijn onomkeerbaar, dat moet jij toch zeker weten.’

‘Mevrouw, wilt u nog een kopje koffie misschien?’
Het meisje keek me vragend aan met haar bruine ogen.
‘Uh ja. Ja, geef er nog maar eentje.’
In verwarring keek ik om me heen. De stoel voor me was leeg. Er lag geen jas meer over mijn jas op de stoel naast me. Was ik ingedommeld door het zonnetje dat naar binnen scheen en me loom maakte? Ik voelde me nog steeds een beetje duizelig en keek op mijn horloge. Het was al bijna half elf, ik zat hier dus al ruim een uur. Dat kan toch niet zo lang? Nou ja, nog even een bakkie en dan snel naar buiten. Een frisse neus zal me goed doen. Zomaar indommelen in een café…

‘Alstublieft mevrouw, uw koffie.’ Op kopje stond “Café Gijs” en ik moest glimlachen.
‘Mag ik zo de rekening van je?’
‘O, maar die heeft die meneer daarnet al betaald hoor. Ik moest u nog zeggen dat het wel goed was.’

Januari 2007 - © (M)alice

‘Is ze mij’

Eerst was het niemands zaak.
Zelfs niet de mijne.
Langzaam en pijnlijk werd het dat wel, mijn zaak.
Zo bleef het lange jaren lang
opgesloten in mijn verwarde hoofd en foute lijf.
En toen dat niet meer kon, toen hèt zij werd,
werd zij zaak voor psychologen en doktoren.
Eenmaal bij hun aanbeland werd ze zelfs
zaak van mijn hele wereld.
Zij veranderde hem, maakte hem groter.
Die wereld hè, niet hèm. Hij werd kleiner.
Ze kroop naar buiten, werd zichtbaar.
Alsof iedereen haar moest leren kennen
of ik wilde of niet.
Want zij kon immers niet anders.
Even werd ze een familiezaak maar daarna,
daarna werd ze ongewild een publieke zaak.
Want zij moest zich altijd uitleggen tot ze er ziek van werd.
Nu na al die jaren, die pijn en moeite,
is ze dan toch weer mijn zaak.
Nee, eigenlijk is ze haar eigen zaak.
Of nee… is ze mij.
Is ze mij.

Mei 2007 - © (M)alice

Plaats een reactie

De volgende sleutelwoorden kun je gebruiken : <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>